|
|
||
|
|
||
|
Tussen beide wereldoorlogen en ook nog daarna hebben
velen zich geestelijk gevoed met de geschriften van Zr. Elisabeth van de
Drie-eenheid. Ze had haar eigen plaats ingenomen naast Teresia van
Lisieux en ze volbracht met brio haar persoonlijke zending die ze kort
vóór haar dood zelf formuleerde: „In de hemel zal mijn zending erin
bestaan de mensen te brengen tot de inkeer van het hart, hen helpen
zichzelf verlaten en God aanhangen in een heel eenvoudige en liefdevolle
beweging. Ik wil hen bewaren in de grote innerlijke stilte, waarin God
Zich kan meedelen en hen kan omvormen in Zichzelf” (Br. 157). Vooral
door haar beroemd geworden gebed „O mijn God, Drie-eenheid die ik
aanbid...” heeft ze velen binnengeleid in het geheim van de
innerlijke stilte en de ontmoeting met de Drie. |
||
|
Militair kamp van Avor bij Bourges, 18 juli 1880, een officier haast
zich naar de aalmoezenier van het kamp. Hij vraagt hem de H. Mis op te dragen voor zijn vrouw.
Het is een moeilijke bevalling. De dokter
vreest voor het leven van het kind. Tegen het einde van de
eucharistieviering komt de kleine Elisabeth Catez ter wereld. Een
lieftallige, springlevende baby. Op zondag 22 juli, feest van de H. Magdalena, wordt ze gedoopt. Deze heilige krijgt haar voorkeur en zal
herhaaldelijk ter sprake komen in haar correspondentie. Met groeiend
enthousiasme zal Elisabeth later haar eigen roeping ontdekken in de naam
die ze op haar doopdag ontvangt : Elisabeth - Huis van God. |
||
|
Je gezegende naam verbergt een geheim |
||
|
Nooit had ik gedacht, getuigt Moeder Maria van Jezus later, dat de
inwoning van de Drie-eenheid in haar ziel het sleutelwoord zou worden
van haar eigen roeping en charisma. Vanaf die dag stond bij Elisabeth
het besluit vast zich helemaal aan God te schenken. Ze is 14 jaar wanneer haar roeping voor de Karmel zich duidelijk begint af te tekenen. Ze schrijft zelf aan haar priorin : „Ik ging 14 jaar worden. Eens tijdens mijn dankzegging voelde ik mij onweerstaanbaar gedreven God tot bruidegom te kiezen. Zonder uitstel verbond ik mij met Hem door de gelofte van maagdelijkheid... Een andere keer leek het mij alsof het woord „karmel” in mijn ziel werd uitgesproken. Ik verlangde er nog slechts naar mij achter zijn tralies op te sluiten". Jezus beantwoordt deze edelmoedige gave met een vloed van genaden. Ze voelt zich „naar binnen getrokken”. Niets kan haar verstrooien van de goddelijke Gastvriend van haar ziel. Aan haar moeder vertrouwt ze haar roeping toe maar deze verbiedt haar elk contact met de Karmel tot haar 19de jaar. Elisabeth schikt zich naar dat verlangen. Op de zolder bij de Hallo's spelen Elisabeth en Marie-Louise „zuster”, zoals eertijds Teresa de Ahumada in Avila. De zolderruimte wordt in klooster herschapen. Niets ontbreekt er, zelfs niet het gordijntje aan de biechtstoel. De 2 meisjes trekken een oude zwarte rok aan van hun moeder. Ze houden processies, bidden weesgegroetjes en psalmodiëren op hun manier. Op de vele feestjes en bijeenkomsten, die haar sociale rang meebrengen, is Elisabeth een graag geziene verschijning. Haar toilet is steeds onberispelijk en uiterst smaakvol. Haar charme en energie zijn onweerstaanbaar. Uit haar brieven van die tijd blijkt dat ze zich niet verveelt. „In Lunéville hebben we een heerlijk leventje. We ontbijten bij de enen en lunchen en dineren bij de anderen. Daarbij komen nog veel tennispartijtjes bij zeer lieve meisjes. We hebben geen minuut te veel en weten niet meer waar we aan toe zijn” (19-7-1897). „Ons verblijf te Tarbes was slechts een opeenvolging van genoegens : dans- en muzieknamiddagen, uitstappen op het platteland. Alles volgde zich op. De vriendenkring in Tarbes is zeer aangenaam” (Br. 3). Overal wordt de jonge virtuoze uitgenodigd aan de piano plaats te nemen. „Niemand speelt als zij de grote meesters” oordelen de toehoorders. Zodra ze aan het klavier zit vergeet ze de omgeving. Heel haar ziel klinkt door in haar spel. Het wordt een gebed voor de Beminde. Niemand kan nochtans in haar de toekomstige karmelietes vermoeden. Het ritme zit haar in het bloed. Ze danst heel mooi en graag. Verschillende huwelijksaanzoeken worden haar gedaan. Maar haar antwoord is steeds even formeel negatief. Christus is de enige grote passie van haar leven. Midden in de drukte van de feesten voelt ze een verscheurend heimwee naar de stilte en eenzaamheid van de Karmel. Aan haar intiem dagboek vertrouwt ze het toe: „Vorm in mij de karmelietes, want binnenin kan en wil ik het zijn. Mijn God, hoe goed is het van U te zijn” (24-1-1900). „Meester, moge mijn leven een aanhoudend gebed zijn. Mocht niets, niets mij van U afwenden. Noch het werk, noch het genot, noch het lijden. Mocht ik mij helemaal in U verliezen. Leer mij alles doen onder uw blik. Meester, neem mij, neem mij helemaal... Laat Elisabeth verdwijnen, alleen Jezus overblijven” (27-1-1900). De Weg van de volmaaktheid van de H. Teresia van Avila maakt in die periode diepe indruk op haar. Ze vindt er een bevestiging in van wat ze de laatste tijd ervaart. In hoofdstuk 28 bij het commentaar op de eerste bede van het Onze Vader schrijft de heilige dat we God niet moeten zoeken buiten ons, maar in de „kleine hemel van de ziel”. Tot het einde van haar leven zal deze uitdrukking onder Elisabeths pen terugkeren : „Onze ziel is een hemel. Niets dan Gods heerlijkheid moet hij dus bezingen” (laatste retraite). „Ik denk mijn hemel gevonden te hebben op aarde, want de hemel is God en God is in mijn ziel” (Br. 45). Ook de innerlijke ascese, zoals de H. Teresia ze aanprijst, beoefent ze ijverig. In haar dagboek noteert ze: „De H. Teresia zegt zoveel moois over het gebed en de innerlijke versterving. Tot deze versterving wil ik in ieder geval komen met Gods hulp. Ik kan mij nu geen groot lijden opleggen. Wel kan ik ieder ogenblik tenminste mijn eigen wil prijsgeven” (20-2-1899). Van juli tot oktober 1898 verblijft het trio Catez opnieuw in de Pyreneeën. Langs de Grande Chartreuse, Grenoble, Annecy en Genève wordt de terugreis ondernomen. Elisabeths vriendinnen in Dijon ontvangen er enthousiaste echo's van. Haar kunstenaarsziel trilt wonderbaar mee met de schoonheid van de natuur. In haar brieven uit de Karmel zal zij er vaak aan herinneren. „Maar nu is mijn horizon nog veel mooier geworden, want hij is oneindig”, voegt ze er telkens aan toe. Terug in Dijon herneemt ze zoals altijd haar bedrijvigheid binnen de parochie. Ze is lid van het zangkoor, bereidt als catechiste de meisjes voor op hun eerste Communie en laat zich voor allerlei diensten aanspreken. Tijdens de vasten van 1899 wordt in Dijon een grootse missie gepreekt. Elisabeth is een en al ijver voor de bekering van de ongelovigen en de zondaars. Deze apostolische bezorgdheid zal haar bezielen tot op haar sterfbed. In hetzelfde jaar — Elisabeth wordt nu 19 — krijgt ze van haar moeder de toelating om opnieuw contact op te nemen met de Karmel. Voor haar intrede wordt een termijn gesteld : niet vóór haar 21 jaar. Het worden twee jaar van nog intensere voorbereiding. „Maak gedurende deze twee jaar — schrijft ze in haar dagboek — mijn hart van alles los. Helemaal vrij, opdat niets het belette U te zien. Buig mijn wil. Verneder mijn hoogmoed, Gij zo nederig van Hart. Maak mijn hart tot uw geliefde woning. Kom er rusten. U onderhouden met mij in een ideale eenheid. Mocht dit arme hart nog slechts één zijn met uw goddelijk Hart. Verniel, ontruk, verteer alles wat U mishaagt” (woensdag in de Goede Week, 1899). Het lijden in het vooruitzicht van de scheiding van de twee mensen, van wie ze op aarde het meest houdt, kwetst haar gevoelig hart : „Je geliefden doen lijden is zo hard. Maar het is voor Hem ! Wat zou er van mij geworden zijn indien Hij mij niet ondersteunde? Maar Hij is met mij. En samen met Hem kun je alles. Hoe goed is het zich te verliezen en te verdwijnen in Hem” (Br. 12). Bevestiging van haar charisma Een providentiële ontmoeting met pater Vallée, prior van de Dominikanen te Dijon, zal haar leven voorgoed richten naar de H. Drie-eenheid. Hij was een befaamd predikant die, naar de rake uitdrukking van een der zusters, „de Drie-eenheid op de hand droeg”. Moeder Maria van Jezus had deze afspraak in de spreekkamer van de Karmel voorbereid. Verlegen legt Elisabeth hem uit wat ze in het diepst van zichzelf ervaart en hoe ze zich bewoond voelt. „Zo is het inderdaad, mijn kind. De Vader is er, de Zoon is er, de H. Geest is er” antwoordt P. Vallée met overtuiging. En als contemplatief-theoloog legt hij haar uit hoe zij door de doopgenade de geestelijke tempel van de H. Geest is geworden, waarvan St.-Paulus spreekt in zijn brief aan de Korinthiërs: „Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont?” (1 Kor. 3,16). „Tegelijk met de H. Geest is de gehele Drie-eenheid scheppend in je aanwezig. Hun te grote liefde doet Hen in het meest verborgene van je ziel verblijf kiezen. In geloof en liefde verwachten ze er van jou aanbidding, lof en dank”. Deze twee uur lange dogmatische uiteenzetting verrukt Elisabeth. Een onbedwingbare inkeer overweldigt haar. „Ik zag haar in de diepte verdwijnen” zal P. Vallée later getuigen. „Hoe verlangde ik naar het ogenblik dat hij zou zwijgen”, verhaalde Elisabeth daarna aan de priorin. In hetzelfde jaar krijgt ze voor het eerst de Geschiedenis van een ziel in handen. Kort na de dood van de H. Kleine Teresia had Moeder Agnes gezorgd voor deze uitgave. Minstens viermaal schrijft Elisabeth eigenhandig de „Opdracht aan de Barmhartige Liefde” over. Onbetwistbaar is hier en daar in haar brieven de invloed van de heilige van Lisieux te bespeuren. Maar gedragen door haar eigen charisma zal ze tot het einde toe haar zeer persoonlijke weg blijven gaan. „Heb ik je reeds mijn naam in de Karmel gezegd?” schrijft ze een grote maand vóór haar intrede aan kanunnik Angles. „Maria-Elisabeth van de Drie-eenheid. Deze naam geeft naar mijn mening een bijzondere roeping weer. Ik hou zoveel van dat mysterie van de H. Drie-eenheid. Het is een afgrond, waarin ik mij verlies... ,God in mij. Ik in Hem' : dat is mijn leven ! Hoe goed is het te bedenken dat, afgezien van de aanschouwing, wij Hem reeds bezitten zoals de gelukzaligen in de hemel, dat wij in staat zijn Hem nooit te verlaten, ons door niets van Hem te laten afwenden ! Bid, opdat ik mij helemaal laat nemen, me heel en al laat meevoeren !” (Br. 23). Over de drempel heen Op 2 augustus 1901 gaat de karmelpoort eindelijk open voor de gelukkige postulante. P. Vallée is er om haar te ontvangen. „Jij was er om mijn eerste stappen in de heilige eenzaamheid te zegenen” zal ze hem later schrijven (Br. 143). Moeder Maria van Jezus, belast met de stichting van de Karmel te Paray-le-Monial, is afwezig. In haar plaats bestuurt Moeder Germaine van Jezus de communiteit van Dijon. Ze is een zeer rijk begaafde, evenwichtige natuur, die luisteren kan naar wat de H. Geest uitwerkt in elk van haar zusters. Tussen haar en Elisabeth zal van meet af aan een diepe affiniteit groeien. Zij is de geliefde „moeder” en tijdens haar laatste ziekte de „priester, die het offer van de hostie van lof voltrekt”. Reeds zolang verlangt Elisabeth naar de stilte en de eenzaamheid van de Karmel om er voor God alleen te leven en door haar gebed en liefde alle mensen in Hem te bereiken. Ze voelt er zich onmiddellijk thuis. „Het leven van een karmelietes is de stilte” schrijft ze kort na haar intrede aan haar zus. En later aan een vriendin: „Het leven van een karmelietes is een communie met God van de morgen tot de avond en van de avond tot de morgen. Als onze cellen en panden niet vol waren van Hem, wat zouden ze leeg zijn. Maar we zien Hem door alles heen. We dragen Hem in ons. Ons leven is een vooruitbeleven van de hemel” (Br. 46). Zonder voorbehoud kan ze nu in de Karmel haar innerlijke drang volgen; zich verbergen in haar zielegrond om er te leven in de intimiteit met haar aanbeden „Drie”. Dank zij haar buitengewone trouw aan de genade zal de Karmel de ideale teelaarde worden, waarin haar eigen charisma tot volle ontplooiing kan komen. De geschriften van de H. Teresia van Avila, de grote hervormster van de Karmel, hadden er haar in de wereld op voorbereid. Nu zullen vooral de Brieven van St.-Paulus en de werken van de H. Johannes van het Kruis haar leer over de Inwoning en de noodzaak van de absolute innerlijke eenzaamheid om God te vinden, een stevige doctrinele grondslag geven. „Je vraagt me naar mijn bezigheden in de Karmel? Ik zou je kunnen antwoorden dat er voor de karmelietes maar één is : beminnen, bidden” (Br. 73). „Op de berg van de Karmel in de stilte, in de eenzaamheid, in een gebed zonder einde - want het zet zich bij alles voort - leeft de karmelietes reeds zoals in de hemel ,van God alleen'. Hij die eens in de glorie haar zaligheid en haar verzadiging zal zijn, geeft Zich nu reeds, Hij verlaat haar nooit. Hij verblijft in haar ziel, meer nog : beiden zijn één. Daarom heeft ze dorst naar stilte om Hem te beluisteren, om steeds dieper binnen te dringen in zijn oneindig wezen” (Br. 51). De eerste maanden van haar religieuze leven overlaadt God haar met gevoelige troost. Langzaam baant Hij de weg naar de toppen. Hij voert over de Tabor naar de Calvarieberg. „Ik kan het gewicht van de genade niet dragen” fluistert Elisabeth vaak tegen haar priorin. Op het feest van Maria-Onbevlekt 8 december 1901, ontvangt ze het karmelkleed. Niets kan haar vreugde storen. Helemaal verloren in de Beminde verliest ze als het ware het bewustzijn van alles wat om haar heen gebeurt. Na deze maanden vol licht en troost valt het noviciaat zeer hard. Tot nog toe ongekende angsten, bekoringen en scrupels overvallen haar. Eén vleugelslag zou nochtans volstaan om haar erover heen te zetten. God wil haar nog te grote gevoeligheid uitzuiveren. Ze kan een hinderpaal zijn in haar snelle opgang naar Hem. Nu moet de jonge novice haar onmacht en kleinheid tot op de bodem ervaren. Alleen op overgave en vertrouwen kan God het gebouw van zijn liefde optrekken. Twijfels omtrent haar roeping laten haar niet los. Op 10 januari 1903, daags véér haar professie, moet een gezaghebbend priester komen om haar gerust te stellen. Niets van al dit lijden blijkt uit haar brieven. Alleen hier en daar kan men even tussen de regels het geheim lezen van haar zielesterkte in deze duistere dagen : haar onafgebroken blik op Christus. ,,Weet je wat ik doe? Ik kijk naar de Gekruisigde. Als ik dan zie hoe Hij Zich voor mij heeft prijsgegeven, voel ik dat ik niets anders kan dan mij helemaal inzetten en opgebruiken voor Hem" (Br. 66). „Een karmelietes is iemand die haar blik gericht heeft op de Gekruisigde. Ze heeft Hem Zichzelf zien offeren aan de Vader voor de zielen. Onder dit grote visioen van Christus' liefde keert ze zich naar binnen. Ze begrijpt de passie van zijn ziel. Ze wil zich geven zoals Hij” (Br. 51). „In de nacht vóór de grote dag, terwijl ik in het koor de komst van de Bruidegom verbeidde, heb ik begrepen dat mijn hemel begon op aarde. De hemel in het geloof, met het lijden en de totale prijsgave voor Hem die ik bemin !” (Br. 74). Haar verder karmelleven zal een verwerkelijking zijn van deze laatste woorden. Voor altijd van Hem Op Openbaringszondag, 11 januari 1903, verbindt ze zich voor eeuwig met Christus. De vrede is in haar ziel teruggekeerd. Bevrijd van haar te grote gevoeligheid zal ze voortaan op de vleugels van het naakte, steeds lichter wordende geloof en een brandende liefde voortijlen „op de verrukkelijke weg van Gods tegenwoordigheid” (laatste retraite). „Je moet Hem zoeken in geloof en liefde”, schrijft St.-Jan van het Kruis. „Het geloof immers is te vergelijken met de voeten, waarop de ziel naar God gaat. De liefde is de gids die haar leidt" (Geestelijk Hooglied, 1,11.). Voor Elisabeth wordt het één ontdekkingsreis in het mysterie van de Drie-Ene God, een steeds dieper wegzinken in de bodemloze stilte van Gods Drie-Ene liefde. „Ik ben Elisabeth van de Drie-eenheid, d.w.z. Elisabeth, die verdwijnt, die zich verliest, die zich laat overrompelen door de Drie... Heel de Drie-eenheid rust in ons. Heel het geheim dat we zullen aanschouwen in de hemel. Mocht Zij ons geliefde verblijf zijn” (Br. 76). „Mijn enig verlangen is: Hem beminnen. Hem beminnen zonder ophouden. IJveren voor zijn eer als een echte bruid. Zijn vreugde zijn. In mijn ziel Hem een rustplaats, een schuiloord geven en zó Hem gelukkig maken. Hem dáár door de kracht van mijn liefde al de beledigingen en het kwaad van de wereld doen vergeten. Ja, laten we Hem troosten” (Br. 66). Een liefde dus, die geen terugplooien op zichzelf is, maar in haar apostolische bewogenheid haar elan vindt: „Ik verenig graag mijn gebed voor de Kerk en voor het bisdom met dat van jou. De Heer woont in onze ziel. Zijn gebed is dus van ons. Ik zou er onophoudelijk willen aan communiceren, mij als een kleine beker houden aan de Levensbron, om deze vervolgens te kunnen doorgeven, zodat haar golven van oneindige Liefde stromen over de zielen” (Br. 87). Haar apostolaat is niet dat van de prediking maar dat van het verborgen gebed en offer : „Er is veel uit te boeten, veel te vragen. Ik geloof dat men om zoveel nood te lenigen, een voortdurend gebed moet worden en veel beminnen... Ik zou heel en al stilte willen zijn, heel en al aanbidding om steeds dieper in Hem te treden en zó van Hem vervuld zijn dat ik Hem door mijn bidden kan doorgeven aan hen, die de gave Gods niet kennen” (Br. 50). Reeds midden in de drukte van feestjes en party's had Elisabeth het geheim gevonden om zich terug te trekken bij de goddelijke Gastvriend binnen in haar om „Hem te beluisteren in de stilte van een hart dat alleen van Hem wil zijn” (Br. 12). In de Karmel is zij het type van de zwijgende contemplatieve, die zich rustig aan de voeten van de Meester houdt „vol verlangen alles te horen en steeds dieper binnen te dringen in het liefdesmysterie dat Hij ons is komen openbaren" (Br. 68). Vanaf de eerste dag van haar kloosterleven zien we Elisabeth resoluut binnentreden in de geest van stilte en innerlijke eenzaamheid, voorwaarde voor de uitbloei van het verenigingsleven met God, zoals de grote karmelheiligen het leren. Stilzwijgen van alle vermogens van de ziel, die open en ontvankelijk op God gericht blijven. Rust en vrede in de uiterlijke zintuigen, in het gevoelsleven, in verbeelding, geheugen, verstand en wil. Bij niets blijven stilstaan dat het hart kan verstrooien of de vaart van de ziel kan vertragen. In haar brieven aan de meest verschillende correspondenten en vooral in haar retraites komt ze herhaalde malen op deze veeleisende innerlijke ascese terug : „Verenigen we ons om het geluk uit te maken van Hem die ons, naar het woord van St.-Paulus 'teveel heeft bemind' "(Ef. 2,4). "Schenken we Hem in onze ziel een verblijf waar we vrede hebben gebracht en waarin de hymne van de liefde en de dankzegging altijd zingt. En ook die grote stilte, echo van de stilte die is in God” (Br. 72). „Een ziel die nog twist met haar ik, die zich stoort aan haar gevoeligheden, die een nutteloze gedachte of enig verlangen najaagt, versnippert haar krachten. Ze is niet geheel op God gericht. Haar lier klinkt niet in éénklank. Als de Meester haar aanraakt, kan Hij er geen goddelijke harmonie aan ontlokken. Er is nog te veel menselijks. Het geeft een wanklank” (laatste retraite). Lof van Gods heerlijkheid In deze periode ontvangt Elisabeth vooral in de Brieven van St.-Paulus uitzonderlijk licht. Ze noemt hem de vader van haar ziel. De aanhalingen uit zijn Brieven worden met de dag veelvuldiger. In zijn brief aan de Efesiërs zal ze haar eigen roeping van Laudem gloriae ontdekken. Met Christus en zoals Christus een volmaakte lof van Gods heerlijkheid zijn. Een taak die ze in de schoot van de Drie-eenheid in de eeuwigheid zal voortzetten, ontelbare zielen meetrekkend in haar lichtend voorbeeld. Op 21 november 1904 — twee jaar vóór haar dood — beleeft Elisabeth een uitzonderlijke genadedag. Met al haar medezusters heeft ze haar geloften hernieuwd op dit feest van O.L.Vrouw Presentatie. Een onweerstaanbare genadewerking voert haar mee naar de H. Drie-eenheid. Teruggekeerd in haar cel schrijft ze op een eenvoudig blaadje van een notitieboekje in één pennentrek en praktisch zonder doorhalingen, haar beroemde zielsverheffing tot de H. Drie-eenheid. Een van de mooiste gebeden uit de christelijke traditie. Een leven van uitzonderlijke trouw was nodig geweest om het te kunnen samenstellen. Een bijzonder charisma om het te doen opwellen. Niet toevallig komt ze in dit gekend gebed, onmiddellijk na haar eerste uiting van aanbidding der Drie-eenheid, terug naar een bede voor zichzelf: „Help mij mezelf helemaal vergeten”. Na drie jaar kloosterleven staat haar geestelijk leven nog voor een zware hindernis: haar eigen ik. De hoogste vrijheid van de zielen die zichzelf vergeten en van wie heel de dienst bestaat in beminnen, heeft ze nog niet bereikt. Dat zal het werk van de laatste twee jaren zijn. Eerst langzaam en met moeite gedurende 18 maanden van stille trouw, dan snel, bijna verpletterend als God Zich vanaf Palmzondag 1906 op haar werpt als op een prooi om Zelf zijn werk van loutering te voltrekken. Dan zal in haar de omvormende vereniging voltooid worden, niet op de Tabor maar volgens haar eigen verlangen, in de nabeelding van de Gekruisigde en de „gelijkvormigheid aan zijn dood”. Naar de ziekenkamer In juni of juli 1903 hadden zich reeds de symptomen van de vreselijke en slepende ziekte van Addison vertoond (chronische bijniercortex insufficiëntie, met als symptomen: toenemende moeheid, nausea, braken, gewichtsverlies, verlaagde bloeddruk). Niemand had er de ernst van ingezien. In die tijd was ze nog vrijwel onbekend. Midden in de Vasten 1906 wordt haar toestand alarmerend. Enkele dagen vóór het feest van St.-Jozef moet ze haar intrek nemen in de ziekenkamer. Sinds verschillende maanden ervaart ze een grote uitputting. Men moet haar ontslaan van haar officie van portierster. Aanhoudende maagpijnen verhinderen haar voldoende voedsel tot zich te nemen. Op Palmzondag heeft ze een eerste zware crisis. Zielsgelukkig ontvangt ze het sacrament van de ziekenzalving. Op Goede Vrijdag denkt men dat ze zal sterven. De crisis gaat voorbij. Op de morgen van Paaszaterdag vinden haar verwonderde verpleegsters haar geknield in bed. Ze wil opstaan. Van die dag af leeft ze vreemd aan al het aardse, vol van de eeuwigheidgedachte. „Als ik heenga, schrijft ze aan haar zus, zal je kunnen blij zijn om mijn eerste ontmoeting met Gods schoonheid. Met welk een vreugde zal mijn ziel uitstromen in het geheim van zijn Wezen, zodra de sluier zal vallen. Daar in de schoot van deze Drie-eenheid, die reeds hierbeneden mijn thuis was, zal ik mijn eeuwigheid doorbrengen. Denk eens, mijn Guite, de heerlijkheid van Gods Wezen in zijn licht aanschouwen, de diepten van zijn mysterie doorgronden, versmelten met Hem die men bemint, zonder ophouden zijn glorie en liefde bezingen!” (Br. 125). Naarmate haar lichaam aftakelt, stijgt haar ziel boven zichzelf uit. Geen enkel terugplooien meer op haarzelf. Eén enkele gedachte houdt haar dag en nacht bezig: de lof van glorie van de Drie-Ene God. Eén verlangen: zoals de olie van de Godslamp zich druppel voor druppel laten opteren voor de Kerk en het heil van de zielen. Eén droom: mogen sterven omgevormd in de Gekruisigde. "Configuratus morti ejus. Ik wil op Hem lijken in zijn sterven" (Fil.3,10). "Deze gedachte achtervolgt mij en geeft mij kracht in het lijden. Als je wist welke vernietiging ik voel in heel mijn wezen. De weg van Calvarie ligt voor mij open. Ik schrijd er blij op vooruit als een bruid aan de zijde van de goddelijke Gekruisigde” (Br. 137). „Verheug je, schrijft ze aan haar moeder, als je bedenkt dat God mij tekende met het zegel, dat het kruis is van Christus” (18-7-1906). Het Boek der Openbaring met zijn weidse perspectieven op het hemels Jeruzalem is nu haar lievelingslectuur geworden, samen met een bloemlezing uit de Werken van Ruusbroec. Heel Elisabeths leven is getekend geweest door een intense mariale vroomheid. In Maria vindt ze de volmaakte verwezenlijking van haar eigen innerlijk ideaal. Vooral de Maagd van de Menswording in aanbidding voor het Woord van God verborgen in haar schoot, trekt haar contemplatieve ziel aan. Vanuit de ziekenkamer schrijft ze aan haar zus: „Ik ween van vreugde als ik eraan denk dat deze zo heldere en zuivere Maagd mijn Moeder is. Over haar schoonheid verheug ik mij als een kind dat zijn moeder liefheeft. Ik voel mij zeer sterk tot haar aangetrokken en stelde haar aan tot Koningin en Behoedster van mijn hemel” (Br. 140). Twee meditaties uit haar retraites zijn helemaal aan Maria gewijd. „Als ik mijn ,consummatum est' zal gezegd hebben, is het weer ,Janua coeli - de poort van de hemel', die mij zal binnenleiden in de goddelijke voorhoven” (laatste retraite). Tot het laatste ogenblik wil Elisabeth ten koste van bovenmenselijke inspanningen de gemeenschapsoefeningen volgen. Zodra de klok luidt ziet men hoe ze zich steunend op haar stok voortsleept naar de kleine bidplaats naast de ziekenkamer. Van daaruit heeft ze een zicht op het H. Sacrament en het koor van de zusters. Men vraagt haar dat ze haar krachten zou sparen. „Dat loont de moeite niet meer” antwoordt ze glimlachend. „Mijn taak is bijna volbracht. Mijn Meester laat mij begrijpen dat ik Hem weldra van aanschijn tot aanschijn zal zien. Laudem gloriae moet dus niet zoeken te rusten maar veeleer zich geven ten einde toe in gebed en lijden”. De crisissen volgen elkaar steeds sneller op. Slechts bonbons, die haar van buiten de Karmel worden gestuurd of die Moeder Germaine laat kopen, en enkele lepels melk kan ze nog innemen. „Ik doe wat ik kan om niet van honger om te komen, schrijft ze aan haar moeder. En dit uit liefde tot God. Alles ligt in de intentie” (Br. 146). De dokter schrijft maagspoelingen voor. Deze verhogen alleen maar haar lijden. Haar sterkte en sereniteit treffen allen die haar benaderen. „Nooit bespeurden we de minste blik op zichzelf. Bestendig leefde ze in God in onafgebroken dankzegging en de meest volmaakte zelfgave” getuigt Moeder Germaine. De brieven die uit deze periode dateren en bijna alle zijn bewaard gebleven, bevestigen dit waardevol getuigenis. Ze bevatten een heerlijke synthese van haar leer. Haar moeder, zus en vele vriendinnen wil ze inwijden in het geheim van haar geluk: „de intimiteit met Hem ,van binnen', die de zon is geweest van mijn leven” (Br. 156). Tijdens de zo lange slapeloze nachten schrijft ze haar twee retraites. De eerste voor haar zus en getiteld „De hemel in het geloof”. De tweede op aandringen van Moeder Germaine: "Laatste retraite". Ze vormen haar geestelijk testament. Prachtige bladzijden van iemand die de omvormende vereniging bereikte en nog slechts leeft tot lof van Gods heerlijkheid. Ik ga naar het Licht... Op 22 oktober zal een lekezuster het karmelkleed ontvangen. Met haar laatste krachten helpt Elisabeth nog de witte bruidstooi, die bij deze gelegenheid werd gedragen, klaarmaken. Op 30 oktober kan ze de ziekenkamer niet meer verlaten. Haar laatste uur schijnt gekomen op het feest van Allerheiligen. De communiteit verzamelt zich in de ziekenkamer om de gebeden van de stervenden te bidden. Ontroerd vraagt Elisabeth vergiffenis en stamelt : „Alles gaat voorbij... Op de avond van het leven blijft alleen de liefde. Men moet alles doen uit liefde. Men moet zich onophoudelijk voorbijzien. Dit is de goede God zo lief”. Dan beginnen negen lange dagen smartelijke doodsstrijd. Geweldige hoofdpijnen doen een bloedaandrang vrezen. Aanhoudend wordt ijs op het hoofd van de zieke gelegd. Het smelt onmiddellijk. Haar hersenen lijken een vuurgloed. „Het is de liefde die mij opteert en mijn hart jubelt van vreugde” roept ze uit. „O Liefde, Liefde ! Gij weet dat ik U bemin, en dat ik verlang U te zien. Gij weet hoeveel ik lijd. Indien Gij wilt dat ik nog 30, 40 jaar zo lijd, ik ben bereid. Gebruik me helemaal op voor uw glorie. Mocht ik me druppel voor druppel prijsgeven voor uw Kerk. In het naakte geloof ga ik heen. Ik geef er de voorkeur aan. Het maakt me meer gelijkend op mijn Meester". Op 7 november hoort men haar op zangerige toon zeggen : „Ik ga naar het Licht, naar de Liefde, naar het Leven!” Het zijn haar laatste verstaanbare woorden. De twee volgende dagen zijn uiterst pijnlijk. Haar lichaam is totaal uitgemergeld. In de morgen van 9 november om kwart vóór zes keert ze zich plots op haar rechterzijde, het hoofd achterover. Wijd opent ze de ogen, die sinds acht dagen bijna altijd gesloten waren. Met een bewonderende blik staart ze lange tijd voor zich uit naar een punt een weinig boven het hoofd van Moeder Germaine, die bij haar bed is geknield. Haar gelaat straalt. Plots een lichte beweging. Laudem gloriae is niet meer op deze aarde. Voor alle eeuwigheid is ze haar lofzang gaan voltooien in de schoot van de Drie-Ene God, die reeds hierbeneden heel haar leven was. Bron: "Elisabeth van Dijon – Geschriften" uitgegeven door Carmelitana. |
||
|
|
||